Er zijn van die weken waarin je je afvraagt: Hoe zijn we in hemelsnaam zo ver afgegleden? Want de voorbije week werd opnieuw pijnlijk duidelijk hoe hard en persoonlijk het politieke en publieke debat kan ontsporen.
Vlaams Minister Melissa Depraetere legt op doktersadvies het werk tijdelijk neer. Het risico op vroeggeboorte voor haar ongeboren kindje is te groot. Op sociale media barstte meteen een stortvloed van venijnige en kwetsende reacties los. Cynische opmerkingen over hoeveel ze de dokter betaald zou hebben, werden afgewisseld met spot over haar zwangerschap en openlijke twijfel over haar motivatie, alsof ze haar rust uit gemakzucht zou opnemen. En dat zijn nog de milde reacties. Empathie? Vergeet het. Het was een triest hoogtepunt van rancune en respectloosheid ten aanzien van een zwangere vrouw die de gezondheid van haar kindje vooropstelt.
Vanuit verschillende hoeken namen collega-politici het meteen op voor Melissa Depraetere, en terecht. En toch lijkt niemand écht verbaasd. Het is sinds jaar en dag bon ton dat in het bijzonder vrouwelijke politici op sociale media blootgesteld worden aan scheldwoorden, grof of beledigend taalgebruik met een misogyne insteek. Van lelijke heks tot dreigementen over verkrachting. Volstrekt onaanvaardbaar? Absoluut. Een uitzondering? Eerder dagelijkse kost. Vrouwelijke politici lijken dit aanvaard te hebben als een ‘deel van de job’ en zijn het normaal gaan vinden. Maar scheldpartijen en doelbewuste vernederingen zouden van geen enkele job deel mogen uitmaken, we mogen dit niet langer accepteren. Dat we dit een halt moeten toeroepen, daar zijn we het over eens. Maar hoe? Het is één ding om het te benoemen, een ander om de cultuur van respectloosheid en cynisme te doorbreken. En dat begint bij politici zelf.
Dat de politiek zelf ook niet vies is van wat toxisch debat, helpt natuurlijk niet. Deze week liep het in de politieke arena zelf opnieuw uit de hand. Tijdens de debatten over de subsidie aan Thomas More vlogen de verwijten al in het rond, van ministers die “het schijt hebben aan” en “smeerlapperij” tot zelfs “ministers die aan de crack zitten”. In de plenaire vergadering van het Vlaams parlement werden alle remmen losgelaten in een verhitte discussie tussen Annick De Ridder en Gwendolyn Rutten. Met opmerkingen als “ga wat kamillethee drinken om te kalmeren” of “snuif nog een beetje” geven politici niet alleen zichzelf, maar het hele publieke debat, een slecht voorbeeld.
Als politici elkaar in het halfrond uitschelden, waarom zou de burger dan op sociale media wel respectvol blijven? Politiek debat mag heftig zijn, meningen mogen verschillen. Maar mag het nog een beetje beleefd zijn? Een debat over de inhoud kan scherp, snedig en fatsoenlijk tegelijk zijn. Dat is een kwestie van respect. We kunnen niet de mond vol hebben van beleefdheid en fatsoen op school of online als zelfs in het hart van onze democratie dergelijk vernederend taalgebruik wordt bovengehaald.
Dat is niet alleen schadelijk voor de politieke cultuur, maar ook voor onze samenleving als geheel. Politici die de mond vol hebben van goed gedrag, respect en beleefdheid, hebben ook tijdens de uitoefening van hun job een voorbeeldfunctie. Empathie, respect voor andermans omstandigheden en een minimum aan fatsoen lijken het onderspit te delven in een voortdurende strijd om de felste tweet of de scherpste reactie. Beloond door de klassieke en sociale media, naarstig op zoek naar het volgende artikel of de volgende post met de meeste likes of reacties onder. Het is dan ook terecht om ons af te vragen welke voorbeeldfunctie we daarmee vervullen. De vicieuze cirkel van scheldtirades doorbreken is een opdracht van politici, de media én de burger. Verander de wereld, begin bij jezelf?